Polarisatie tussen cultuurperioden

Er hebben zich in de geschiedenis van de Europa telkens diepgaande veranderingen en soms zelfs heftige omslagen in het geestelijk klimaat voorgedaan. Bekende voorbeelden hiervan zijn de overgang van de Gotiek naar de Renaissance, van de Verlichting naar de Romantiek en van de Romantiek naar het Liberale Tijdvak van de 19e eeuw.

            Uitgaande van dergelijke omslagen kan men de cultuurgeschiedenis van Europa indelen in tijdvakken. Men krijgt dan bijvoorbeeld:

 

 

 

Romaanse periode

1000-1200

Gotiek

1200-1400

Renaissance

1400-1600

Barok

1600-1720

Rococo

1720-1750

Verlichting

1750-1790

Romantiek

1790-1840

Liberale tijdvak

1840-1880

Neoromantiek

1880- 1920

Nieuwe zakelijkheid

1920 –

 

 

Bij een dergelijke tabel kan men vele vragen stellen. Wat zijn de oorzaken van de genoemde omslagen in het denken? Welke opvattingen bleven gelijk en welke veranderden? Vallen daarin wetmatigheden te ontdekken? Spelen daarin generatieconflicten een rol? Is er sprake van polarisatie? Enzovoort.

            Een algemeen patroon dat in deze indeling valt te bespeuren is een afwisseling van alpha – en bètamentaliteit. De gotiek, met zijn opbloei van de logica en zijn abstractie in de bouwkunst, had een bètamentaliteit. De daarop volgende renaissance, ingezet door dichters als Petrarca en met een uitgesproken hekel aan logica, was een alpha-periode. De daarop volgende barok, met zijn opbloei van de natuurwetenschap (Newton), was een bètaperiode. De romantiek was weer een alphaperiode en het liberale tijdvak een bètaperiode. <een andere?>

            Het is hier niet de plaats om uitvoerig in te gaan op de afzonderlijke kenmerken van deze perioden, dat valt onder de cultuurgeschiedenis. Het gaat er hier slechts om om duidelijk te maken dat men deze omslagen kan bekijken als processen waarin sociaalpsychologische mechanismen een belangrijke rol spelen.

            De belangrijkste theoreticus op het gebied van perioden en cultuuromslagen was Hegel. Hij was niet zozeer geïnteresseerd in de geschiedenis van Europa als wel in die van de gehele wereld. Hij ontwikkelde ook een eigen terminologie. Wanneer een cultuur tot bloei kwam zei hij dat de “wereldgeest” zich daarin manifesteerde. Volgens hem sprong deze wereldgeest in de loop van de wereldgeschiedenis over van het ene volk en van het ene gebied naar het andere. Hij combineerde deze gedachte met vooruitgang. Iedere these werd gevolgd door een antithese en samen leidden ze dan weer tot een hogere synthese.

            Hegel zag dit proces als een “mechanisme” dat zich min of meer onafhankelijk van de individuele mensen voltrekt. Hij leefde in de tijd van de Franse Revolutie en had van nabij meegemaakt hoe grote idealen kunnen omslaan in terreur. Beroemd is zijn beschouwing over Napoleon, die hij beschouwde als een tragisch werktuig van de “Weltgeist”.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

xxxx