De historische achter-grond van het racisme

Als je tracht te reconstrueren hoe het racisme is ontstaan is het nodig eerst te constateren dat het maken van onderscheidingen (“discrimineren”) en het ordenen in hoger en lager behoren tot de meest basale activiteiten van het menselijk verstand. Al in de verre oudheid ordende men alle levende wezens van hoog tot laag in een hiërarchische ordening, de zogenaamde “ladder der natuur”. Het is aannemelijk dat men in het verlengde hiervan ook onderscheid maakte tussen hogere en lagere “mensenrassen”, waarbij men echter wel moet bedenken dat begrip ras in zijn huidige betekenis nog niet bestond.

            Concreet racisme kan natuurlijk alleen maar voorkomen wanneer mensen van verschillend ras rechtstreeks met elkaar in contact komen. Zoals bekend beschouwden de Grieken zichzelf als superieur en alle andere volken als barbaren, maar over het algemeen wordt dit Griekse superioriteitsgevoel als een betrekkelijk ongevaarlijk en ook begrijpelijk verschijnsel beschouwd en beticht men de Grieken niet van “racisme”. In het latere West-Europa kreeg men vanaf de 8ste eeuw te maken met de Arabieren en vanaf de 11e eeuw met de Turken. Het ziet er naar uit dat men die weliswaar beschouwde als vijanden die er een verkeerd geloof op na hielden, maar dat ook hier geen sprake was van racisme. Na de ontdekking van Amerika door Columbus in 1492 begonnen de Europeanen het Amerikaanse continent in bezit te nemen. Er zijn toen wel discussies gevoerd over de vraag of de inheemse bewoners wel echt mensen waren en of zij wel een ziel hadden,  maar krijgt men toch de indruk dat zij niet zozeer gezien werden als mensen van een ander ras, maar als heidenen die mensenoffers brachten en dus krachtdadig bekeerd moesten worden. En die de waarde van goud niet beseften, zodat dit beter meegenomen kon worden naar Europa.

            Het echte racisme begon pas in de 18e en 19e eeuw. Een belangrijke factor hierbij was de ontwikkeling in de biologie. In 1735 publiceerde Linnaeus zijn “Systema Naturae”, waarin hij de planten- en dierenwereld indeelde. In de tiende uitgave van 1758 nam hij ook de mens op in zijn systeem en introduceerde hij de term “homo sapiens”. Hij deelde de soort mens in in vijf ondersoorten of variëteiten, waarvan vier vooral geografisch waren bepaald: Europees, Aziatisch, Amerikaans en”afer” (uit Afrika). Later introduceerde Blumenbach nog de variëteit kaukasisch. 

            Een andere belangrijke factor was het “openleggen” van de binnenlanden van Afrika. Dit openleggen was natuurlijk een proces dat al lang aan de gang was, maar in het midden van de 19e eeuw raakte het in een stroomversnelling, onder andere door de aanleg van spoorwegen. Hierbij kwamen hoogontwikkelde Europeanen in rechtstreeks contact met de in hun ogen meest primitieve culturen en primitieve mensen op aarde. Hierdoor werd meer dan vroeger de vraag actueel in hoeverre dit een lager soort mensen waren.

            Nog weer een andere factor was de opkomst van transatlantische slavenhandel. Vanaf omstreeks 1650 ontstonden er in Amerika suiker- en tabaksplantages en ten behoeve daarvan werden slaven uit Afrika aangevoerd. Deze slaven werden vaak buitgemaakt bij stammenoorlogen en in principe speelde racisme hierbij dus geen rol. Maar voor de latere blanke slavenhouders was het natuurlijk wel verleidelijk de slavernij te rechtvaardigen met het argument dat de zwarten een lager soort mensen waren (1).

            Maar de belangrijkste factor was waarschijnlijk de opkomst van de evolutietheorieën. De eerste evolutietheorieën werden omstreeks 1750 geïntroduceerd door de Franse “Philosophes”. Zij schonken veel aandacht aan de ontwikkeling van lager naar hoger in de geschiedenis, maar hielden zich niet zozeer bezig met de vraag of er tegenwoordig verschil bestaat tussen lagere en hogere mensensoorten. Ook Linnaeus, die de natuur categoriseerde, dacht nauwelijks in termen van lager en hoger. Maar dit veranderde met de publicatie van Darwins “Origin of Species” (1859) en “The Descent of Man” (1871). Darwins mechanisme van natuurlijke selectie zélf had geen racistisch karakter, want het had betrekking op de concurrentie tussen de individuen binnen dezelfde groep. Maar door de voortdurende overwinning van de sterkste en slimste individuen veranderden de erfelijke eigenschappen van de groepen als geheel en evolueerden deze naar een hoger stadium. Het tempo van de evolutie was echter niet voor alle groepen gelijk, zo waren de zwarten in het verleden achtergebleven bij de blanken. Cru gezegd meende Darwin dat de zwarten dichter bij de aap stonden dan de blanken,  maar hij verbond daar nog betrekkelijk weinig maatschappelijke conclusies aan. Waarschijnlijk niet zozeer uit overtuiging als wel omdat zijn belangstelling meer uitging naar biologische problemen. 

            Als logische consequentie van deze ontwikkelingen ontstond hierna het sociaaldarwinisme, dat is de politieke opvatting dat de mens zijn eigen evolutie in de hand moet nemen. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door de voortplanting van hogere rassen te bevorderen en van lagere rassen tegen te gaan. Hiermee was het klimaat geschapen voor het ontstaan van racisme in de hedendaagse betekenis van het woord. Dit racisme heerste in heel Europa, niet alleen in Duitsland. Maar speciaal in Duitsland ontstond het verhitte denkklimaat van de neoromantiek (Wagner, Lebensphilosophie, vitalisme, noodlotscultus) dat in veel opzichten de voedingsbodem werd van het nazi-racisme. Als belangrijkste theoreticus hiervan wordt gewoonlijk verwezen naar H.S. Chamberlain, die in Engeland werd geboren, maar zich op latere leeftijd in Duitsland vestigde (2).

(1) Zie bijvoorbeeld: https://www.dbnl.org/tekst/nede008wito01_01/

(2) H.S. Chamberlain (1899): Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhundert. Een uitgebreide en bijzonder knappe biografie van Chamberlain is te vinden op wikipedia:  https://en.wikipedia.org/wiki/Houston_Stewart_Chamberlain