De strijd tegen racisme

De strijd tegen de racistische component van de slavernij

In de oudheid was het houden van slaven in principe geen uiting van racisme. Zo leefden er in het oude Rome veel Griekse slaven, maar deze werden niet als een inferieure mensensoort beschouwd. Iets overeenkomstigs was het geval bij de slavernij in Afrika. De hier gevoerde stammenoorlogen eindigen vaak hiermee dat de mannen van de verliezende partij werden gedood en de vrouwen en kinderen weggevoerd als slaven, maar dat hield niet in dat deze werden gezien als een lager soort mensen. Het is aannemelijk dat dit anders lag bij de negerslaven die vanaf de 17e eeuw door blanken uit Afrika naar Zuid-Amerikaanse plantages werden gevoerd. De blanken zélf hadden al eeuwenlang een verbod op slavernij en het kan bijna niet anders of zij rechtvaardigden deze vrijheidsberoving van de zwarten met de gedachte dat deze misschien wel een ziel hadden, maar toch niet goed in staat waren om eigen baas te zijn.

Maar er ontstond ook veel verzet tegen de transatlantische slavernij. In Engeland werd in 1787 de “Society for the Abolition of the Slave Trade” gevormd, die in het parlement werd vertegenwoordigd door William Wilberforce.  In Amerika ontstond er na de onafhankelijkheidsoorlog (1775-83) toenemende kritiek op de slavernij en in 1808 kwam er een landelijk verbod op de slavenhandel. Zoals bekend speelde de slavernij een centrale rol in de Amerikaanse burgeroorlog (1861-65) en in 1865 werd hij definitief afgeschaft.

Samenvattend kan men zeggen dat bij de afschaffing van de slavernij twee verschillende argumenten een rol speelden. Het eerste was het argument dat de ene mens niet het recht heeft een ander mens te bezitten, los van iedere overweging van ras. Het tweede was het argument dat de eventuele verschillen tussen de mensenrassen niet zo groot zijn dat deze slavernij rechtvaardigen. Bij dit laatste argument viel de strijd tegen de slavernij dus samen met de strijd tegen racisme.

De strijd tegen de racistische component in de evolutietheorieën

De grootste verandering in het denken over hogere en lagere rassen ontstond door de introductie van de biologische evolutietheorieën. Dit was nog niet zozeer het geval bij de vroege evolutietheorieën die omstreeks 1750 werden geïntroduceerd door de Franse “philosphes”, want die waren nog erg theoretisch van karakter en hielden zich niet zozeer bezig met de vraag of er heden ten dage nog hogere en lagere mensenrassen bestaan. Maar dit veranderde omstreeks een eeuw later met de introductie van de evolutietheorie in de versie van Darwin.

De huidige biologen stellen Darwins selectiemechanisme graag voor als een richtingsloos, waardenneutraal aanpassingsproces, maar daarbij moeten twee opmerkingen worden gemaakt. In de eerste plaats werd in het toenmalige denkklimaat Darwins “survival of the fittest” opgevat als een echte strijd op leven en dood tussen individuen, met winnaars en verliezers. In de tweede plaats was Darwins selectiemechanisme essentieel verbonden met het toenmalige vooruitgangsgeloof (1). De ondergang van de zwakken is de oorzaak van de vooruitgang. Door deze beide factoren kreeg de oude gedachte van de scheppende kracht van de strijd (die ook centraal staat in de dialectiek van Hegel) een nieuwe biologische fundering.

Het is enigszins paradoxaal dat in dezelfde tijd dat in de biologie het begrip ras zo sterk werd geëxpliciteerd de strijd tegen de slavernij op zijn hoogtepunt was (in 1859 publiceerde Darwin zijn “Origin of species” en in 1865 werd in Amerika de slavernij afgeschaft). Hoe dit zij, Darwins versie van de evolutietheorie stuitte op fel verzet van de kerken. Dat is theologisch gezien niet verwonderlijk, want hij gaf een alternatief scheppingsverhaal, eigenlijk gaf hij een alternatieve Schepper. Dat leidt tot een belangwekkende vraag. Het scheppingsverhaal uit het boek Genesis heeft geen racistisch karakter en het is denkbaar dat de afwijzing van Darwins theorie door de kerk gedeeltelijk voortkomt uit bezwaren tegen de maatschappelijke gevolgen van die theorie en uit afkeer van racisme. In hoeverre werd Samual Wilberforce, bisschop van Oxford, in zijn beroemde debat in 1860 met de darwinist Thomas Huxley geïnspireerd door zijn naamgenoot William Wilberforce die streed tegen de slavernij?

De strijd tegen de racistische component in het sociaaldarwinisme

Uit het darwinisme ontstond het sociaaldarwinisme, dat is de leer dat de mens zijn eigen evolutie ter hand moet nemen door het toepassen van darwinistische principes in de politiek. Deze leer was in de tweede helft van de 19e eeuw wetenschappelijk gezien zeer overtuigend en het was dan ook niet gemakkelijk er argumenten tegen in te brengen. H.W. Koch noemt onder andere de volgende gebruikte argumenten:

  1. Reeds in de biologie is het principe van de natuurlijke selectie onvoldoende verklaring voor de evolutie, laat men dus voorzichtig zijn dit toe te passen in de politiek.
  2. Het principe van de natuurlijke selectie uit de biologie kan niet worden toegepast op staten. De dood van een levend wezen is causaal anders dan de ondergang van een staat.
  3. Critici als Samuel Butler, William James en Henri Berson vonden Darwins verklaring te mechanistisch. De mens heeft ook intellect en doelstellingen.
  4. De Amerikaan Henry George stelde in zijn “Progress and Poverty” (1879) dat de sociale problemen niet voortkomen uit overbevolking (Malthus), maar door maatschappelijke onrechtvaardigheid. <143> Want als er meer mensen zijn, zijn er ook meer mensen om voedsel te produceren. Dat kan het probleem dus niet zijn.
  5. William E. Walling (een Amerikaanse socialist) richtte zich tegen het “hoopvolle fatalisme” van Spencer en diens concept van natuurlijke selectie door de strijd om het bestaan met het argument dat het niet alleen gaat om passieve aanpassing, maar ook om creatieve menselijke activiteit.
  6. Lester F. Ward wilde het sociaaldarwinisme bestrijden met sociale hervormingen.  Daarvoor moest de staat veel meer ingrijpen met concrete maatregelen dan tot nog toe het geval was.

Hoewel het sociaaldarwinisme essentieel racistisch van aard was (want het ging uit van het bestaan van hogere en lagere rassen), speelde dat aspect binnen Europa geen belangrijke rol. De tegenstanders richtten zich vooral tegen de maatschappelijke gevolgen van deze leer en probeerden deze te verzachten door sociale hervormingen. Maar daarmee werd het principiële morele probleem niet opgelost: het probleem dat de ondergang van de zwakkeren de basis lijkt te zijn van de vooruitgang.

Mijns inziens heeft de hoofdstroom van de westerse cultuurdragers in de tweede helft van de 19e eeuw de ernst van dit probleem niet onder ogen durven zien. De biologen maakten zich er van af door te beweren dat het selectiemechanisme van Darwin een moreel neutraal richtingsloos aanpassing-mechanisme is (maar wat is dan de oorzaak van de vooruitgang?). Een deel van de kerken zag het probleem niet onder ogen doordat het vasthield aan het Bijbelse scheppingsverhaal en een ander deel vond het probleem zo ruw en onbeschaafd dat vrome lieden er hun vingers beter niet aan kunnen branden. De socialisten dachten: als we allemaal socialist worden, dan komt het wel goed. Dit wegkijken is volgens mij een van de oorzaken van het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog en van het feit dat daarna het opkomende nationaalsocialisme zonder goed doordacht weerwoord aan de haal kon gaan met de meest extreme gedachten uit het sociaaldarwinisme.

De Eerste Wereldoorlog en de strijd tegen het racisme

De Eerste Wereldoorlog begon als een soort computergame: men meende een spel te spelen en plotseling bleek men midden in een echte oorlog te zitten. De leer van het sociaaldarwinisme en de daarmee verbonden gedachte van de scheppende kracht van de strijd en oorlog waren zo populair geworden dan men eindelijk wel eens wilde uitvechten wie de sterkste was: Engeland, Duitsland of Frankrijk. Opmerkelijk is dat de Eerste Wereldoorlog, hoewel de psychologische achtergrond daarvan werd gevormd door het sociaaldarwinisme, toch geen racistische oorlog was.

Na de oorlog kwamen er sterke vredesbewegingen op gang, zoals die van de Quakers. Maar in dezelfde tijd ontstonden in Italië en Duitsland het fascisme en het nationaalsocialisme en vooral in de laatste beweging speelden racistische motieven een essentiële rol.

De Tweede Wereldoorlog en de strijd tegen het racisme

Het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog is eigenlijk veel beter te verklaren dan het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog omdat de laatste een leider had die zijn motieven zelf duidelijk aangaf. Allereerst wilde Hitler rechtzetting van het onrecht van Versailles. Daarnaast wierp hij zich op als bestrijder van het opdringende communisme. Een derde motief was zijn racisme, dat zich richtte tegen de negers en vooral tegen de joden. Op de een of andere manier had hij het idee gekregen dat de joden voortdurend bezig waren Duitsland en het Duitse volk te ondermijnen. Dit leidde ten slotte tot de holocaust.

Maar wat waren de motieven van de geallieerden? Hoewel Hitler een racist was bestreden zij hem niet vanwege dat racisme, maar omdat ze niet wilden dat Duitsland te machtig werd en dat ze zouden moeten buigen voor een dictator. Amerika werd de oorlog ingezogen door Pearl Harbour. Pas ná de oorlog realiseerden de geallieerden zich ten volle hoe gruwelijk de vernietigingskampen van de nazi’s waren geweest, maar het is niet zo dat het die kampen waren waartegen ze hadden gevochten.  Door de nederlaag van Hitler werd het grondprobleem van het sociaaldarwinisme niet opgelost: het probleem dat de ondergang van de zwakkeren de basis lijkt te zijn van de vooruitgang.

De dekolonisatie en de burgerrechtenbeweging

Na de oorlog kwam overal op de wereld een proces van dekolonisatie op gang. Hierin speelde het element van strijd tegen racisme een grote rol: veel volken wilden niet overheerst worden door blanken, die zichzelf superieur achtten, in ieder geval op het gebied van besturen. De overgang naar een inheems bestuur betekende overigens allerminst dat het bestuur daardoor altijd beter of minder dictatoriaal werd. De meest zuivere bestrijding van het racisme kwam waarschijnlijk van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging, met Martin Luther King: ”I have a dream” (1963). Men kan zich afvragen of ook hij niet werd gedreven door eigenbelang of groepseigenbelang, maar het was een gerechtvaardigd eigenbelang en de strijd werd gestreden met faire middelen.

(1) Zie hiervoor H.W. Koch (1973): Der Sozialdarwinismus. Seine Genese und sein Einfluss auf das imperialistische Denken.